zaterdag 21 november 2009

"Stat rosa pristina nomine, nomina nude tenemus." (*)

De Platoonse allegorie van de grot met een volmaakte ideeënwereld, die altijd en overal bestaat en waarvan onze wereld - de werkelijkheid waarin wij leven - slechts een afspiegeling blijkt te zijn waarnaar wij als vastgebonden, blinde en weinig inventieve runderen onafgebroken blijven staren, wordt in onderstaand gedicht heel zacht aangeraakt. Mooi, toch? Ook het fenomeen van de roos komt in Borges' verzen aan bod. En wie roos denkt, zegt Umberto Eco. En wie Eco zegt, denkt aan de ondraaglijke gedachte al zou er geen orde in het universum zijn. Want dan zou de door vrije wil gestuurde almacht van Onze Lieve Heer wel eens in het gedrang kunnen komen. En da's nu precies iets dat ook ik iedere ochtend weer ervaar als ik beide ogen over de ruggen van de boeken in de bibliotheekrekken laat glijden. Voor mij mag Ie dood, die God de Vader. Als Zijn dood tenminste een terugkeer van de regelmaat zou impliceren...

(*) "De roos van weleer bestaat als naam, naakte namen houden we over."


Ik weet niet welk gezicht naar mijn gezicht
kijkt uit het spiegelvlak van deze spiegel,
noch wat voor oude man van daaruit kriegel
zijn uitgebluste woede op mij richt.
Mijn vingers onderzoeken op de tast
mijn trekken, die onzichtbaar zijn. Het lijkt
of ik iets zie: een zweem heeft mij bereikt
van jouw haat, nog als goud of reeds als as.
'k Herhaal dat ik alleen het nutteloze
oppervlak van de dingen heb verloren.
Een moedige troost als Milton was beschoren,
maar ik denk aan de letters en de rozen.
Ik denk dat als ik mijn gezicht daar zag,
'k wist wie ik ben op deze vreemde dag.

Jorge Luis Borges, uit: Obra poetica 1923-1985

vrijdag 20 november 2009

Herman Van Rompuy: gelieve eerst de bovenlaag van de man weg te krabben...



"De realiteit toont bijzonderheden onder het mom van algemeenheden. Literatuur doet het omgekeerde. Ik ben geneigd te zeggen dat dit misschien het enige is waartoe literatuur in staat is. Elk boek waardoor een lezer zich persoonlijk aangesproken voelt, stelt een morele vraag. Of veeleer: als de lezer erin slaagt de bovenlaag van een tekst weg te krabben, kan hij of zij een moreel vraagstuk opdiepen, zelfs al stelt de schrijver die vraag niet expliciet. De impliciete aanwezigheid van die morele vraag lokt bij de lezer een emotie uit, een voorgevoel of alleen maar een herinnering aan iets dat we lang geleden kenden. Door deze alchemie is elke literaire tekst, in zekere zin, een metafoor voor iets anders."

Zo schrijft boekenverzamelaar, -bezitter en -lezer Alberto Manguel het ergens in zijn 'Een geschiedenis van het lezen'. Je kan deze passage ook gebruiken als handleiding bij het luisteren naar en het interpreteren van de door Herman Van Rompuy gegeven antwoorden op allerlei journalistieke, spitsvondige vragen.

maandag 16 november 2009

"Mon plus grand regret sera de ne plus vivre entièrement à la campagne l'été..."

Precies zes dagen geleden, in het wonderbaarlijke jaar 1913, arriveerde Cyriel Buysse met hebben en houden terug in zijn echtelijke woonst aan de Laan van Meerdervoort - bij het gefortuneerde vrouwtje Nelly Dyserinck - in Den Haag. Buysses 'landziekte' naar de wondermooie Leielandschappen waarin hij is opgegroeid moet er nu maar weer voor half jaartje tegen kunnen. Het pijnlijke afscheid van Afsnee - zonder morren terug naar het Haagse winter- en salonleven - doet de Nevelaar op de laatste bladzijden van zijn in 1913 bijgehouden dagboek 'Zomerleven' een beetje kinderlijk ironiserend van de pen...


4 november

't Is uit. Alles is dood of ingeslapen. Geen kleur noch fleur meer, ergens. De ganse natuur ligt omsluierd in dikgrijze mist. De elementen zijn uitgewoed, de natuur gaat in stilte haar winterslaap beginnen.


5 november

In het eentonig grijs-kille van hemel en aarde zijn de tuinlui bezig met putten te graven, waarin zij jonge boompjes planten. De gele, omgewoelde grond ruikt scherp naar vocht en humus, en zodra ergens een kuiltje is gegraven zijn de roodborstjes er dadelijk bij, om te zien of niets te azen valt.
Wat zijn ze altijd lief, de roodborstjes en wat passen ze goed met hun bronsgroen jasje en hun bruinrood vestje bij de tinten van het stervend herfstlover! Soms zitten zij op een takje, waaraan nog enkele dorre blaadjes hangen, zacht ritselend door elkaar, als waren zij van getaand klatergoud; en daar zingen ze heel even hun kort en o, zo diep-weemoedig najaarsvooisje.
Dan laten zij zich zwijgend weer in een pas omgespit kuiltje vallen en pikken er de wormpjes op.


6 november

Opruimen. Inpakken.


7 november

Inpakken. Opruimen.


8 november

Het afscheid: vlug, stil, met een glimlach op de lippen, om den weemoed en de droefheid te verbergen. Nog eens goed alles bekeken: den heuvel, den molen, het huisje, de bossen, de velden, de wegen, alles wat maandenlang zo schoon en heerlijk was en nu zijn winterslaap is ingegaan, maar om toch weder met de zoete lente te ontwaken en te herleven.


9 november

Tottolot... tottolot... tottolot... Bijna den gansen dag tottolot... tottolot... tottolot... en tottolettelot en tottolettelettelettelot. 's Avonds aankomst in de stad.


10 november

Stadsleven.


einde

Uit: Buysse, C., Zomerleven, 2006, Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen, p. 324-330.

zondag 15 november 2009

Volwassen gedicht van wel heel jonge knul...

November heet traditioneel onze dodenmaand te zijn. Vandaar een klein gedichtje van mijn getrouwe bed- en zetelvriend Rainer Maria Rilke. Bij voorkeur uit te spreken aan de voeten van een kindergraf. Vergeet - onder het luidop voorlezen - niet dat Rilke amper twintig jaar oud was toen hij deze ontroerende versregels met potlood in zijn notitieboekje neer plette. Bovendien verbleef de jonge knaap toen in Praag en mogen we ervan uitgaan dat de 'kerstmaand' - uit zijn voorwoord bij de dichtbundel - slaat op de maand december, dé feestelijke doodsteek voor alle eenzamen en achtergelatenen. Enfin,... ge weet wel. Voor de sterke alleswillenverstaander enkel nog dit: 'hold' is een oud Duits woord voor 'rein', terwijl 'Höhn' dan weer voor 'heuvel' staat. Enjoy...

Die Rose

Die Rose hier, die gelbe,
gab gestern mir den Knab;
heut trag ich sie, dieselbe,
hin auf sein frisches Grab.

Die Rose ist seit gestern
noch immer hold und schön,
so ganz wie ihre Schwestern
im Hag und auf den Höhn.

An ihren Blättern lehnen
noch lichte Tröpfchen - schau!
Nur sind es heute - Tränen,
und gestern war es Tau...

Rainer Maria Rilke, uit: Wegwarten. Lieder, dem Volke geschenkt, 1895

woensdag 11 november 2009

Bij het heengaan van een Vlaamsche studiekring en een Groote Wereldbrand...

Op een niet nader te bepalen plaats, ergens achter de frontlinies tijdens de Eerste Wereldoorlog, kreeg pater Ildefons Peeters het lumineuze idee om in de voornaamste kantonnementen leeszalen op te zetten. Het moesten goed verlichte, verluchte en verwarmde ruimtes worden waar soldaten, zowel Vlamingen als Walen, in hun vrije tijd, tussen twee aflossingsbeurten aan het front door, konden langskomen om in alle rust te lezen en te schrijven. Kapucijn Peeters over zijn toenmalige kinder-ziektes: "Boeken waren er nog niet te vinden, vooral geen Vlaamse. Wilden onze jongens een briefje schrijven, dan moesten ze dat doen op hun knieën; 't was overigens al heel lastig gedurig de inktpot overal mee te sleuren." Dat van die inktpotten was trouwens ook de reden waarom veel soldatenbrieven met potlood werden geschreven. De barakken die de YMCA (Young Men's Christian Association) aan het Britse front uitbaatte, dienden als voorbeeld voor dit initiatief. Als toezichthouders in de leeszalen gaf pater Ildefons Peeters de voorkeur aan vrijwilligers, brancardiers en burgers. In tegenstelling tot de Britse keten en omdat de pater niet kon genieten van stevig hout en bekwame timmerlui, huurde hij zalen in de dorpen waar de kantonnementen gelegen waren. Een meer lovenswaardig leesbevorderend initiatief was toen ondenkbaar. (*)
Pater Peeters, die als voorzitter en penningmeester de honneurs in dit comité waarnam, werd bijgestaan door secretaris-aalmoezenier Frans Van den Heuvel en twee collega-aalmoezeniers: Jan Bernaerts en Victor Van Gramberen. Het derde comité-lid heette Frans Daels en was toen al, als jonge dertigende legerarts, héél actief in de Frontbeweging. Dokter Daels maakte na de Eerste Wereldoorlog verder nog furore als voorzitter van het IJzerbedevaartcomité, zette zich in voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit en werd, voor vermeende collaboratieactiviteiten tijdens de Tweede Wereldoorlog, ook nog eens ter dood veroordeeld. Verloskundige Daels was met andere woorden, en los van enige schuldvraag, een heel kleurrijke figuur. Bovendien schreef de professor, naast een aantal internationaal gelauwerde wetenschappelijke publicaties in verband met kanker en opvoedkunde, een hoop amusant-illustrerende Vlaamsgekleurde frontboekjes. Onderlezend (bewust?) beklijvend fragment komt uit één van dergelijke boekjes...


En we gingen op... ter laatste samenkomst van 'Studiosus'.
De jongens waren reeds vergaderd. Een honderdtal stonden samengedrongen, bijeengepakt in een bijzaal van een Vlaamsche buitenherberg. Nat van de sneeuw, beklad met slijk, stonden ze tusschen bont-dooreengeworpen waschgerief, tusschen kuipen en emmers, tot op den hoop steenkool en brandhout. Boven de hoofden hing in dichte rijen een massa walgelijk-dampend vluchtelingen-linnen. Een gescheurde rok klapperde en kletste tusschen het ontglaasde en ontraamde venster. Een armzalig kacheltje, te midden der kamer, verspreidde onvoldoende warmte. Een flauwe hanglamp bescheen fletsig de vermoeide en verweerde gezichten, en hulde het vertrek in een spelende schakeering van licht en duisternis. Daar waren ruwe Vlaamsche koppen, die van stalen wil en weerstand spraken; daar waren frissche jongensgezichten met iets mannelijks in hun oog; daar waren afgematte trekken, die geen verdere inspanning meer zouden verdragen, en diep medelijden afdwongen.
Al de kerels stonden overeind. Twee woorden gebed leidden de vergadering in. Het sneuvelen van een broeder werd kalm en plechtig medegedeeld. Groote mannen weenden. Een brief van een gekwetsten vriend werd voorgelezen. De jongen was nu buiten gevaar, en zijn eerste brief was voor 'Studiosus', waar hij - zoo schreef hij - in het midden der oorlogsverwarring, zijn Vlaanderen had weergevonden. De vreugde straalde uit de oogen der jongens, bij het vernemen van het goede nieuws.
Dan sprak ik hen toe. Met stille aandacht luisterden zij naar de uiteenzetting over 'hoogere tucht'. Zij volgden met gretig oor, met gespannen geest, den gang der gedachten, herlevend hun lijden en levend hun hoop...
De lamp doofde langzaam uit. Een kaars werd op iederen hoek van den zwaren schoorsteenmantel opgestoken. Weifelend in den beginne, maar zich al spoedig door zijn groote wilskracht beheerschende, richtte nu de luitenant het woord tot zijn jongens:
"Gij hebt hooren spreken van hoogere tucht. Uit hoogere tucht moeten wij alles kunnen doen, en alles kunnen laten... voor Vlaanderen. Alles. Zelfs bukken en buigen, wanneer het volstrekt moet. Gij weet allen wat 'Studiosus' voor ons is geweest, wat al goed het voor de jongens deed; gij weet, hoe zuiver onze inzichten waren en hoe rein ons doel...
'Studiosus' is niet meer! Deze is de laatste vergadering. De studiekringen op de voorlinie zijn verboden. Wij moeten ons onderwerpen. Hoogere tucht eisch het... voor Vlaanderen...
Alles voor Vlaanderen!..."
Zijn toon beheerschte zijn mannen. Bij dezen schoten de oogen vol tranen; bij genen behield het gelaat den stempel van marmeren onbeweeglijkheid. Tot bukken... voor Vlaanderen! daartoe waren ze te bewegen. Maar vergeten?... Nooit!

Uit: Daels, F., Voor mijn volk in nood I, 1923, Boekdrukkerij Jos. Vermaut, Kortrijk, p. 56-58.
(*) Wil je meer te weten komen over de 'geestelijke' initiatieven achter het front? Ga dan gerust aan de slag met Daniël Vanackers 'De Frontbeweging. De Vlaamse strijd aan de IJzer'.

maandag 9 november 2009

Op naar het Noorden! Het Noorden, zeg ik u!


Afgelopen weekend leerde ik Bengt Gunnar Ekelöf, door zijn vertalers steevast één van de meest intrigerende dichters van de moderne Zweedse literatuur genoemd, ietwat beter kennen. Niet persoonlijk, want de man is tenslotte al meer dan veertig jaar (tenzij langs een gedicht) niet meer onder de levenden geweest, maar via een bloemlezing samengesteld door dichter/vertaler H.C. ten Berge. De gedichten van Bengt Gunnar Ekelöf worden, behalve door een liefde voor de muziek en een diepgravende belangstelling voor de oude mediterrane beschavingen, ook gevoed door het Zweedse landschap. Ekelöfs hang naar den vreemde en zijn tweeslachtige houding ten opzichte van Zweden - want hij beschouwt zichzelf in alle opzichten als een buitenstaander - brengen hem ertoe het land enkele keren 'voorgoed te verlaten' om er toch weer naar terug te keren. Volgens vertaler H.C. ten Berge is een welsprekende illustratie hiervan de volgende strofe uit de bundel Non serviam (1945):

Ik ben een vreemdeling in dit land
maar dit land is geen vreemdeling in mij!
Ik ben niet thuis in dit land
maar dit land gedraagt zich alsof het thuis is in mij!

Allemaal goed en wel maar de doordringende geur van het Zweedse landschap, de voortvarende vaardigheid van de Zweedse seizoenen en de universele odeur van de Zweedse melancholie, woordenrijk geïllustreerd in het gedicht Op de brug uit hetzelfde Non serviam (1945), zijn volgens A. Droogakkers dan weer veel pakkender voorbeelden van fijnzinnige aanslagen op ons bij wijlen heel broos menselijk gemoed:

Op de brug

Appelbloesem onder verhelderde hemel
het berkenfloers in schemering,
groen en fris geurend van regen...
En daar, als een ark
in de nevelzee van de wei,
de stal die mistig rood
wegdrijft...

Stemmen dichtbij
en stemmen ver weg -
weemoed van lenteschemer...
We stonden altijd op de brug.
We bleven lang staan
in blauwende avonden
als de snoeken sloegen
- we zagen de kringen groeien,
zagen de baan van de maan
als een grillige slang
in het overjarig riet...

De fietsen van de jongens tegen het hek...
De echo's van het land, een verre lach,
een golf van seringengeur,
gedempte gesprekken,
lentenacht.

Bengt Gunnar Ekelöf, uit: Non serviam

donderdag 5 november 2009

De voorbije week: gelezen en gehoord (12).

* "Het is prettig, vind ik, dat, als iets waar is, ik ook de omstandigheden ken waaronder het niet waar is, want dan begrijp ik het beter. En als ik iets beter begrijp, kan ik makkelijker denken. En schrijven. Daarom hou ik meer van wiskunde dan van logica. Daarom hou ik meer van literatuur dan van wiskunde. Maar om een roman te schrijven heb ik gedachten nodig, en om gedachten te formuleren heb ik wiskunde nodig. En om wiskunde te begrijpen heb ik logica nodig. Als ik schrijf zoals ik schrijf, voel ik mij door vleugels gedragen op het moment dat ik besef dat wat ik beschrijf eigenlijk onmogelijk is. De logica naar je toe halen, deze op je knie in tweeën breken en aan je dienstbaar stellen, lukt je alleen als je altijd en overal de optie hebt de dingen waar ze een normale voortgang hebben - om te keren."

(Dichter, essayist, romancier en columnist Gerrit Krol in zijn nogal onnavolgbare stijl in de wonderwijze Krolwijzer. Voor de zinspreukenfanaat: bovenstaand Krolletje draagt rugnummer twaalf.)


* In een recent amusant HUMO-interview over zogeheten 'rechts' in Vlaanderen hakken de Eeuwige Blote Witte Tanden Man en dé Martin Prince uit ons democratisch halfrond nogal stevig op elkaar in. Filip Dewinter is, onder ons gezegd en gezwegen, een meer fanatiek adept van de hierboven te lezen Kroliaanse logica:
(...)
De Wever: "Mijn ambitie is niet om als politieke maagd te sterven, zoals jij."
Dewinter: "En ik wil niet als politieke prostituee sterven."
De Wever (met de handen in de lucht): "Jij vindt dat ik een politieke prostituee ben?... Je zegt: wij zijn een verzetsbeweging. Als jullie dat echt waren, zouden jullie de zetels in het parlement niet gaan innemen..."
Dewinter (lacht uitbundig): "Hahahahahaha...!"
De Wever: "Doe dan zoals Sinn Féin in Noord-Ierland: die weigeren hun verkozen zitjes op te nemen in Westminster, omdat ze niet willen meewerken met een regime dat ze weg willen. Exact jullie positie! Maar jullie nemen de financiering en de partijdotaties wél aan. Ik doe dat ook, maar met een heel zuivere strategie: wij participeren om te veranderen, met alle risico's van dien."
Dewinter: "Als we niet mogen zetelen, en we mogen ook onze dotatie niet aannemen, bestaan we helemáál niet meer."
De Wever (nogal nors): "Maar doe dan niet alsof je ondergronds leeft en een verzetsbeweging bent."
(...)


* "Ironie, cynisme en sarcasme zijn dingen die makkelijk in je opkomen, maar ik moet eerlijk toegeven dat ik mezelf in dat opzicht wel censureer. Het zijn stilistische procedés die niet bij me passen, ze beantwoorden gewoon niet aan mijn aard. Dat is trouwens ook zo in mijn dagelijkse omgang met mensen. Herman de Coninck heeft ooit in een brief aan een van zijn vrienden geschreven: 'Nolens is iemand die je maar het best niet iedere dag kunt ontmoeten, want daar is hij veel te serieus voor en dat wordt een beetje vermoeiend.' En dat klopt waarschijnlijk ook wel: ik ben nu eenmaal een beetje zwaar op de hand."

(Knack, 28/10/2009, poëziemonument Leonard Nolens legt aan Piet Piryns uit waarom er zo weinig te lachen valt in zijn dagboeken.)


* "De blanke man verkondigde dat de indianen dieren waren, terwijl de indianen de blanke mannen een goddelijke status toekenden. Als alle onwetendheid gelijk is, is de tweede redenering zeker de waardigste voor de mens."

(De Morgen, 04/11/2009, in een in memoriam bij het recente heengaan van de in Brussel geboren en in Parijs getogen antropoloog Claude Lévi-Strauss wordt de schrijver van het baanbrekende 'Het trieste der tropen' nog voor een laatste maal héél treffend geciteerd.)