donderdag 26 januari 2012

Ons complexloze Jommeke!


Fictie volgt een eigen logica. Da's waar! Zo is niet elke uitgebeelde fantasie in bijvoorbeeld een stripverhaal een compensatie voor een onvervuld verlangen. Groot gelijk! En dat zelfs in Japan de expliciete lolicon-manga, waarin beelden van harde seks en zeemzoete romantiek op één en dezelfde bladzijde naast, onder of boven elkaar worden afgebeeld, onder vuur komt te liggen, moest er, ondanks een mangafaculteit aan de universiteit van Kyoto, vroeg of laat wel eens van komen. Het imago van Japan zou wel eens in de fik kunnen schieten. Japan heeft dus zijn gestriptekende lolita's en Vlaanderen zijn geklaarlijnde... Jommeke. Het is in deze vergelijking dat Knack-reporter Jef Van Baelen een aantal weken geleden subtiel zijn opgelopen jeugdtrauma's propte: "In 'Jommeke' reist een tienjarige, zonder zijn ouders te waarschuwen, naar het andere eind van de wereld om er wilde avonturen te beleven, maar niemand is bezorgd voor kopieergedrag of dat dit op een of andere manier een schadelijke invloed kan hebben - dat vinden we zelfs een raar idee. Kindmeisjes die gruwelijke seks hebben in een manga staan zo ver van de werkelijkheid dat niemand er zijn leven naar modelleert."

vrijdag 20 januari 2012

De (economische) aaibaarheidsfactor van het boekenvak...

Ondanks de bijzonder lelijke vormgeving met op wit glanzend papier gespuugde zwart-rood-witte tonen, is deze inleiding tot het Vlaamse boekenvak een meer dan lezenswaardige stand van zaken. In elf helder uiteengezette hoofdstukken gaan een aantal vakspecialisten volledig op in de boekendingen waar zij het sterkst in zijn. Van een bedrijfseconomische benadering van de boekhandel door Guido De Smet, commercieel directeur bij Standaard Boekhandel, tot een aanstekelijke visie op het winnen van lezerszieltjes van de hand van Majo de Saedeleer, directrice van Stichting Lezen.
"Koop dus, en we zullen er beiden baat bij hebben." Met deze ambitieuze woorden van Dirk Martens, in 1473 verantwoordelijk voor het eerste gedrukte boek in ons land, schiet bibliotheekwetenschapper Pierre Delsaerdt dit handboek op gang. Dankzij onder meer Martens was het mogelijk om de koper enkele honderden gedrukte exemplaren in één keer aan te bieden. Vanaf dat ogenblik dienden drukkers, die in die tijd tegelijkertijd uitgevers en boekhandelaars waren, na te denken over het in de markt plaatsen van hun boekenwaar. Een impliciete waarschuwing aan het adres van de huidige generatie boekenventers ook. Want met de opkomst en het succes van het internet worden we, vijfeneenhalve eeuw na Martens en consorten, haast weggeblazen door een tweede informatierevolutie. Eentje die onderweg ook de processen van de productie, de verhandeling en de bemiddeling van boeken volledig blijkt te hertekenen waardoor het ganse Vlaamse letterenlandschap door elkaar wordt geschud. Voorlopig blijft het Vlaamse boekenvak hangen in een overgangsperiode; een versleten en-verhaal waarin bijvoorbeeld de verschillende dragers van informatie naast elkaar blijven bestaan. Maar als we zien wat de digitale revolutie in de Angelsaksische boekenwereld aan het aanrichten is, dan zal deze inleiding tot het Vlaamse boekenvak voorlopig weinig verhelpen aan onze koudwatervrees voor al dat digitaal informatiegeweld. Het enige lichtje tussen al deze ontwikkelingen is dat er altijd, of dat nu op een tablet, een e-reader of via een crossmediaal boek is, zal gelezen worden. En aangezien bijvoorbeeld blijkt dat kinderen die worden opgevoed in een thuisomgeving waar veel boeken aanwezig zijn betere schoolresultaten behalen, zal de daad van het lezen niet al te gauw verdwijnen. Veel meer nog dan hoogopgeleide ouders uit de betere sociale middens, zullen doodgewone lezende papa’s en mama’s een nieuwe pedagogische revolutie inluiden, aldus een aantal bijdrageschrijvers.


Dat het culturele niveau van een stad vaak af te lezen valt uit het aantal boekhandels die er gevestigd zijn, zoals boekhandelaar Yvonne Steinberger in haar commentaar beweert, is nogal kort door de bocht. Er zijn wel meerdere factoren die het cultureel stadspeil bepalen. De boekhandelrealiteit ligt vaak iets dichter bij de economie, zoals blijkt uit de tekst van Johan de Koning, directeur-uitgever bij WPG-Uitgevers België. Zo merken we vandaag bijvoorbeeld dat de vele kookboeken volgens het beproefde marketingconcept van de personencultus worden opgehangen aan personalities binnen of zelfs buiten het restaurantgebeuren. De Koning voegt daar eerlijkheidshalve aan toe dat in zo’n context het marketingverhaal rond de auteur voorrang krijgt op de inhoud. Smaken en trends zijn met andere woorden heel vluchtig en ook uitgevers dienen te weten wat er bij de mensen leeft. Een economische waarheid als een koe waarbij het eventuele culturele aspect vaak een aardige bijkomstigheid is. In een dergelijk klimaat van in het donker schietende uitgevers dient de 80/20-regel van Pareto, waarbij 20% van de waar instaat voor 80% van de verkoop, vaak omgezet in de 90/10-wijsheid. Hierdoor wordt de richel, waarop te achterhalen valt welke titels die 10% succesvol kunnen invullen, nog smaller voor de uitgever. Het boek blijft, aldus Geert Joris van Boek.be, een goed dat voor 80% uit economische aspecten bestaat. De resterende percenten vullen het culturele luik in, lees: het statement dat je bij het schenken van een boek maakt tegenover diegene die je met de titel verblijdt. De obligate bos bloemen of fles wijn staan, als voornaamste concurrenten, naast het boek. Verder is het een Vlaams economisch gegeven dat slechts 50% van de boeken via de gewone boekhandel tot bij de lezer komt. In een landschap van industriezones, kleine kmo’s en noeste Vlaamse ondernemende werkers tiert de business-to-businessmarkt welig en wisselen boeken, gemaakt in opdracht van bedrijven of in grote oplage als relatiegeschenk opgekocht door diezelfde bedrijven, vlotjes van eigenaar. Opnieuw een (economische) vaststelling mijlenver van dat zogeheten culturele luik.
Deze uitgave belicht voorts het project Boekenbank, de educatieve uitgeverij, de positie van de auteur en het Vlaamse auteursrecht. In het slothoofdstuk over de toekomst van het boek vertroebelt een nogal droge opsomming van de verschillende soorten nieuwe digitale informatiedragers een heldere en gedurfde uiteenzetting over de vernieuwde positie van de uitgeverij binnen dit ganse e-gebeuren. Als het de bedoeling is om deze inleiding als handboek in de verschillende bibliotheekopleidingen te slijten, dan valt niets aan te merken op de keuze van het schrijversgild en de besproken onderwerpen. Al doet deze stand van zaken het boekenvak heel veel deugd, laat deze gesteldheid alstublieft een opstap zijn naar meer.


De winst van de lezer: inleiding tot het boekenvak in Vlaanderen / Pierre Delsaerdt.- Leuven: Acco, 2011.- 207 p.- ISBN 978 90 3348 595 4

dinsdag 17 januari 2012

De lotgevallen van een bibliofiel: a never-ending story?

Zo’n dikke drie jaar geleden kwam de Harelbeekse bibliothecaris Jan Van Herreweghe (BoekenJan) aanhollen met zijn ‘Zot van boeken: over boekengekte als levensdrang’. Het eerste deel van zijn toen aangegane vierdelige biblio-engagement. We zijn nu 2012 en het vierde deel, ‘Er zijn nooit te veel boeken, er zijn alleen te veel mensen: de lotgevallen van een bibliofiel’, is ondertussen verworden tot een aanloop voor nog een vijfde en een zesde boek. Want over boeken(verzamelingen) raakt men immers nooit uitgepraat. Toch verzandt Van Herreweghes vierde, vooral in de brieven waarin hij de lezer tracht warm te maken voor een aantal boeken over boeken, al te gemakkelijk in drammerig gepalaver.
Door tot soms halve pagina’s te citeren uit ‘Houd de sanseferia hoog’ (George Orwell, 1936), ‘Nachttrein naar Lissabon’ (Pascal Mercier, 2004) en ‘Al te luide eenzaamheid’ (Bohumil Hrabal, 1976), gebruik makend van soms weinig ter zake doende bindteksten ("Een hilarische scène, als je het mij vraagt" en "Prachtige passage!") en een groot deel van de afloop van de romans in kwestie verradend, denkt de ontembare brievenschrijver BoekenJan de geïnteresseerde boekenliefhebber te kunnen paaien.
Als in de brief over Orwell een uitwijding over de goed tegen wisselende temperaturen bestande kamerplant sanseveria als opstap dient voor een introductie tot de lagere middenklasse in het Engeland van de jaren ’20, op haar beurt het milieu waaruit het hoofdpersonage Gordon Comstock stamt, vraag je je af wat hier in godsnaam nog de relevantie van mag wezen? Niet dat al deze informatie ongepast is, maar Van Herreweghe springt te veel van de hak op de tak en vergeet daarbij dikwijls dat de in zijn hoofd rondslingerende ideeën op zijn minst voortreffelijk uitgeschreven dienen te worden alvorens ze ingang kunnen vinden bij zijn brievenlezers.
Ietsje verderop, in de brief over Merciers nachttrein, zijn de geciteerde terzijdes over de filosofische overpeinzingen in de brieven van Amadeu de Prado zo vaak bij het haar getrokken, dat een welmenende lezer zich de vraag stelt of hij wel ernstig wordt genomen. Al zeggen zinnen als "In een groep van mensen kan men toch eenzaam zijn" natuurlijk meer over de kwaliteit van de vermeende krachttoer van Mercier dan die van de samenstelling van de brieven van BoekenJan zelf. Ten bewijze: de beschouwende brief over Hrabals ondertussen klassiek geworden ‘Al te luide eenzaamheid’. De uitstap van Van Herreweghe naar de Belgische kunstenaar Denmark, die met zijn ‘Archives mortes/recyclées’ onze dagelijkse strijd verbeeldt tegen de orkanen van informatie waaruit wij steeds weer de essentie dienen te filteren, om de thematiek uit Hrabals roman te duiden, kan wonderwel geslaagd worden genoemd.


In de anekdotische brieven, voor de nieuwsgierige: de eerste en de laatste in deze bundel, waar Van Herreweghe zich louter focust op zijn dada, i.e. de bijzondere voorvallen in de wereld van het verzamelen van boeken, is het daarentegen opnieuw smullen geblazen. BoekenJan is op zijn sterkst als hij, net zoals in zijn eerste brievenbundel, in de periferie van de bibliofilie mag ronddwalen. Zo staat hij, met een leuk citaat van ene Gerrit Brouwsma, even stil bij het verschijnsel ‘bibliofobie’, oftewel: de panische angst die sommige mensen dreigt te wurgen als ze in aanraking komen met te veel boeken. Studenten die, geconfronteerd met zijn omvangrijke bibliotheek, Brouwsma vroegen of hij al die boeken in werkelijkheid ook had gelezen, werden steevast van de repliek gediend of ook de sommelier alle wijnen uit zijn enorme wijnkelder allemaal zelf heeft gedronken. Of wat te denken van BoekenJans opdracht aan zijn collega-bibliothecarissen bij zoiets als ‘bibliotherapie’? Aan de hand van een lijst van ziektes zouden die een keur van boeken kunnen samenstellen die de lezende patiënt een goed gevoel moet geven bij diens ziekte. In deze brieven belichten, in tegenstelling tot de reeds aangehaalde langdradige epistels, korte boekfragmenten de verschillende aspecten van bibliofilie: van boekenvernietiging en een bijna-boekendood tot bibliokleptomanie en boeken op het witte doek.
Dat Jan Van Herreweghe een boekenverzamelaar eerste klas is, daar twijfelt niemand nog aan. Dankzij deze vierde bundel komt de lezer onder meer te weten dat deze bibliothecaris zich in zijn leesgedrag ook laat sturen door zijn boekenwaanzin. Dat hij met zijn verslagen over dit gedrag niet altijd weet te boeien, is ondertussen jammergenoeg eveneens duidelijk. Liever zag ik vier stevige boeken over bibliofilie dan een halfgare reeks die zichzelf ieder jaar opnieuw vermenigvuldigt. Zo bestaat het gevaar dat op het einde van de rit, na bijvoorbeeld veertien delen, enkel BoekenJan zelf plezier zal beleven aan zijn boeken. Ook naar André Vandermoere, de bestemmeling van Jans brieven, zal het tegen dan vruchteloos zoeken zijn. Daar waar BoekenJan ergens op het einde van zijn eerste spruit de hoop koestert te genezen van zijn boekengekte door erover te schrijven, vraag ik me, na consumptie van Jans vierde, af of genezing wel wenselijk is. Er zijn inderdaad te veel mensen, en soms ook te veel boeken over boeken.


Er zijn nooit te veel boeken, er zijn alleen te veel mensen: de lotgevallen van een bibliofiel / Jan Van Herreweghe.- Harelbeke: De Gebeten Hond, 2011.- 135 p.- ISBN 978 90 8016 163 4

maandag 12 december 2011

Stilstand in verzen bij een politiek monument (II).

Te moe om te weven? Tot daar aan toe. Maar zonder parlementaire meerderheid aan Vlaamse zijde zwemt deze Vlaamse Fast Food Nation met Begenadigde Tong zomaar in een toekomstige, virale Vlaamse Overwinning. Een tartende, buischende onmacht in de buik smaakt immers altijd naar een extra portie...




De luchten hangen vol dagen, -
de dagen hangen vol smart...
Ik zal te zwak zijn, om te dragen
wat mij de wereld tegen-sart;

ik zal te ziek zijn, om te wezen
wat uw wil star me tegen-slaat,
o mijne dade': alleene weezen
die door 't gewoel bang henen gaat.

Ik, die te trotsch ben om te leven
in stalen palen enklen tijd:
ik zal te moe zijn om te weven
het pal werk van een eeuwigheid...

En mijn leede armen moeten schragen
de buischende onmacht die me tart
uit luchten, dreigend vol dagen,
veel dagen hangend vol smart.


Karel van de Woestijne, uit: De boom-gaard der vogelen en der vruchten (1905)

woensdag 7 december 2011

Stilstand in verzen bij een politiek monument (I).

Nu er politiek van alles weer aan het bewegen is geslagen, wordt het tijd om even stil te staan bij een aantal van onze meest nobele politieke stemmen. Ofwel blinken ze uit in onzichtbaarheid, ofwel grossieren ze in vraatzucht. Maar altijd weer die ene constante: werken, werken, werken,... En dit altijd én overal, in tegenstelling tot ondergetekende. Ocharme, ik!


Maar of zij vastte of zong of bad,
Haar was of heur leven zelf bewoog
In de straten van Gods lichte stad
En onder Moeders oog.

Zo was haar doen één zuivre vreugd:
Een orgel dat speelt zacht en ver
Zijn hymnen aan Maria's deugd:
O Hemels Deur, o Morgenster!


P.C. Boutens, uit: Beatrijs (1908)

woensdag 23 november 2011

Over een scheurkalender die niet uitsluitend de dagen voorspelt...

Dat de poëziescheurkalender van Meulenhoff visionaire kwaliteiten heeft, weten bezitters ervan al langer. Daarom kopen ze hem ook ieder jaar opnieuw. Om in 't geniep, een paar weken op voorhand, al eens tussen de flinterdunne dagscheurblaadjes te gaan piepen. Naar wat de scheurder in kwestie, en bij uitbreiding de ganse Belgische bevolking, in de nabije of verre toekomst nu weer eens op de boterham zal krijgen. Van welk soort te verwachten weer tot duiding bij brandend actuele politieke vraagstukken. Voor de orakelblaadjes van Meulenhoff is niks te troebel.
Zo scheur ik vandaag het volgende gedicht van de papieren band. Spontaan waan ik me even in de geest van een Belgische formateur die het dezer dagen niet zo onder de markt heeft. De waarachtige mijnwerkerszoon E.D.R. uit het Henegouwse M.!


*

Nu dan, vandaag dat ik alleen ben en kan zien
Met dat vermogen van het hart, te zien
Wat ik niet ben, al wat ik niet kan zijn,
Wat ik, als ik het was, vergeefs zal zijn,

Vandaag, ik zeg het u, wil ik duurzaam -
Beseffen dat ik niemand ben,
En van mijzelf, hooghartig, mij ontslaan
Wijl ik mijn feilen onderken.

Ik heb gefaald in alles, zonder iets te wagen,
Zonder iets te doen of iets te zijn,
Noch heb ik, in de distels mijner dagen,
De bloem geplukt van gelukkige schijn.

Rest mij - want ergens is de arme rijk
Als hij het maar wil weten -
De grote onverschilligheid die bij mij blijft.
Ik schrijf het op, om het niet te vergeten.


Fernando Pessoa, uit: Gedichten (1991)

dinsdag 22 november 2011

De voorbije week: gelezen en gehoord (27).


"U maakt een enorme fout! U draagt een verpletterende verantwoordelijkheid. Wat is dat voor een gedrag? Het is ongelooflijk! Ongelooflijk! Wat dachten jullie? Ik ga naar de koning."

(De Morgen, 22/11/2011, p. 3, "Alexander, u maakt een enorme fout")


Ware het niet dat de Belgische rente op langjarig staatspapier vandaag door de vijf procent is geschoten, ik zou om bovenstaande gespreksflard moeten lachen. Maar vrees niks! Alleen al omwille van die vijf procent vind ik het daaropvolgende gedrag van bedrijfsman dr. Sober, aan wie de bijtende verwijten hoogstwaarschijnlijk waren gericht, getuigen van een bijzonder gevoel voor cynisme. Waardoor het fragment dan weer koud-hilarisch! Let ook op de aanhalingstekens rond deze krantenberichtzinnen. Doorgaans duiden die op een letterlijke uitspraak van iemand. In dit geval: een koningsdienaar. Bijkomende vraag natuurlijk is hoe de verslaggever in kwestie aan zijn gerief is geraakt? Of deden ze daar bij 'De Morgen' een 'De Standaardje'? Zo'n speciale, vermarkte (Crooistische) kranteneditie, deze keer verzorgd door Belgiës bekendste dramaturg. Rest ons alleen nog de vraag: hoe mag die hoofdredacteur-voor-één-dag dan wel heten?

woensdag 16 november 2011

Drie dichters, een onderwijzer en héél veel roet...


Dat de drankzuchtige burgemeesterszoon J.C. Bloem ook een aardig stukje kon dichten, bewijst zijn Officiersschap in de Orde van Oranje-Nassau. Want, zoals algemeen geweten: zo'n titel verdien je niet zomaar. Dientengevolge leest het palmares van deze stugge oud NRC-redacteur dan ook als een volledige Winkler Prins met donkerblauwe omslag: lamlendige, zwijgzame dagen op de achterbank van een automobiel, betaald met grootvaders erfenis. Over één van die heroïsche herfstritjes met collega-schrijvers Jan Slauerhoff en Theun de Vries en onderwijzer Gerben Brouwer schreef die middelste nogal droogjes in zijn herinneringen: "Zo reden daar drie stugge Friezen in de rammelende auto langs ’s Heren nachtelijke wegen, en zeiden, waarschijnlijk alle drie om een andere reden, boe noch ba." Wat de achterbankgezetene J.C. Bloem betrof, nogal wiedes. Die trachtte, met door de koude gebarsten lippen en tranen in de ogen, krampachtig een einde te maken aan een reeds lang ingezet, schots en scheef herfstsonnet...


Herfststorm

Nu vieren alle winden hunne toomen,
De hechte zomerbouw stort steen na steen,
De wereld valt als een oud huis ineen:
Molmzwarte balken kraken van de boomen,

Flarden behang van blaren neder komen;
Een lucht van roet drukt landen, dras als veen,
Gelijk een water breekt door dijken heen
Gaan regenvlagen in geweldige stroomen.

Weldra besneeuwt de winter deze puinen
Van wat den aanval der seizoenen duldde;
Maar alle winter vindt zijn zeker tanen.

Dan treedt de lente in nieuwe aardsche tuinen,
Die langs de dingen glimlacht bleek en gulden
Met een gelaat verteederd door veel tranen.


J.C. Bloem, uit: Verzamelde gedichten (2002)

woensdag 9 november 2011

Een keizer en zijn onder(gang)danen...


Napoleon Bonaparte keert in 1815, in de begindagen van de lente, terug naar Parijs. Na zijn gevangenschap op het eiland Elba onderneemt deze Corsicaanse levende legende een laatste triomftocht in de richting van de Franse hoofdstad, plaats van lelies en witte strikken, symbolen van de zetelende, goede koning: "Een vorst die van maat houden, rust en vrede hield." Alleen al de schaduw van deze naderende, gewelddadige imperator doet de brave Lodewijk XVIII in iets noordelijkere regionen bescherming zoeken.
Dat is het aanvangsgegeven van 'De honderd dagen', de twaalfde bij Atlas vertaalde Joseph Roth (1894-1939) op rij. Eindigen doet het boek met de langstdurende neergeschreven sloeptocht, voorbode van een zoveelste verbanning na het debacle van de grote Napoleon bij Waterloo, in de literatuur. Volledig vereenzaamd en niet zonder zijn moeder voor een laatste keer afscheid te hebben gekust, peddelt de ooit zo almachtige keizer in de handen van kapitein Maitland, bevelvoerder van het Engelse schip Bellerophon. Rondom hem: de zee, net zoals in zijn geboorteland Corsica: "Maar deze zee hier was niet Frans, het was alsof haar golven Engels spraken, de taal van de vijand, de eeuwige vijand." Een zee ook die de keizer tijdens zijn laatste nacht als vrij man, alsof hij terug een Corsicaans jongetje was, uit zijn slaap houdt: "Zelfs wanneer ze in opstand kwam, toonden haar ziedende golven in hun toorn nog een soort wellustige liefde."
Daar waar Joseph Roth in 'Radetzskymars' van zijn misdadige luitenant Trotta zijn eigen man zonder eigenschappen maakt, gooit de schrijver het in 'De honderd dagen' over een totaal andere boeg. Geen overbodige figuur deze keer, maar een keizer op zijn retour die weet wat hij wil. Roth schildert in deze roman een heel menselijk portret van Napoleon Bonaparte, een van de meest tot de verbeelding sprekende figuren uit onze recente Europese geschiedenis. Hij maakt van de man een mens van vlees en bloed, net alsof hij naast je staat, een goede vriend ook, geboetseerd uit vaten vol tegenstrijdigheden: "Hij was sterk en zwak, vermetel en moedeloos, trouw en verraderlijk, hartstochtelijk en onverschillig, hoogmoedig en bescheiden, trots en nederig, gewelddadig en armzalig, trouwhartig en wantrouwig." Zelfs de aan Napoleons militaire genialiteit twijfelende legersoldaten, die de strategische successen van hun keizer toeschreven aan diens gezonde dosis geluk, maken ongewild en zonder het te weten van hun eigenste keizer een gewone mens. Want wie ontbreekt het al niet eens aan geluk in zijn leven? Het zijn dan ook juist deze kleine lieden, zoals de in het tussenverhaal opgevoerde Angelina Pietri, de kleine Corsicaanse wasvrouw met rosse sproeten tot in haar graf dwepend met de figuur van haar meest beroemde landgenoot, die samen met de keizer ten onder gaan: "Ze behoorde immers de grote keizer toe." Hiervoor is ze zelfs bereid om Antoine Pascal, haar enige geliefde zoon, te laten sneuvelen op het slagveld nabij Waterloo, in de buurt van haar geliefde keizer Napoleon.
'De honderd dagen' is opnieuw Joseph Roth ten voeten uit: korte hoofdstukken vol vaart die de lezer plots vooruit slingeren en soms de indruk nalaten van een onvolmaakte gecomponeerdheid. Van het ene ogenblik op het andere is Antoine Pascal van baby een aardig lagere schoolkind geworden om dan, verschillende alinea’s verder, als tiener te delen in de klappen aan de zijde van Napoleon nabij Waterloo. Een schrijfvaart die ook het gevolg was van Roths levensstijl: voortdurend op reis en nergens thuis. Jospeh Roth, sterreporter in de Weimarrepubliek van wie werd verteld dat hij enkel pauzeerde om in de ogen te wrijven of naar zijn glas te grijpen, was een hypergevoelige observator die, als een opgejaagd dier, diende te pennen in weergalmende kroegen en lawaaierige eetsalons van Oostende tot Wenen. Hierdoor kon hij probleemloos in de huid van de historische figuur Napoleon Bonaparte kruipen, om luttele seconden later met sprekend gemak te roeren in de gedachten van een eenvoudige Corsicaanse wasvrouw. In het natuurgetrouw, kortstondig portretteren van uiteenlopende individuen kent Roth zijn gelijke niet.
Aan de andere kant wordt Joseph Roth vaak getypeerd als dé schrijver van alles wat voorbij is, van op stapel staande maatschappelijke veranderingen en van (historische) romanfiguren die van hun (on)vermogen zich aan deze omstandigheden te conformeren hopeloos schrikken. Daar waar de verplichte glimlach op het gezicht van de publieke figuur Franz Joseph in 'Radetzskymars' eruitzag als een klein zonnetje dat hij zelf diende te scheppen, wordt ook wasvrouw Pietri plots geconfronteerd met haar eigen onzichtbaarheid: "Ineens wist ze precies dat alle zinloze en dwaze dingen die haar waren overkomen, als het ware gebeurd waren in de genadige schaduw van de grote keizer. Zijn schaduw had alle zinloze lotgevallen nog verguld. Nu was ze weg, zijn genadige, gulden schaduw! Nu pas werden de dwaze dingen dwaas, de ongelukkige dingen laag. Ze huilde niet meer van ontroering omdat ze haar zoon had teruggevonden, maar om een dode wereld waarvan ze gedacht had dat die eeuwig zou voortbestaan."
Net zoals haar geestelijke-vader-met-notitieblok in 1939, drie jaar na verschijning van 'De honderd dagen' als versleten alcoholist hopeloos wegterend in een armzalige hal van een Parijs armenhospitaal, reeds verschillende jaren voor zich heen liep te waarschuwen voor het steile gevaar achter de niets en niemand ontziende, oprukkende Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij, is de Napoleongetrouwe Angelina Pietri ongeveer hetzelfde lot beschoren. Op de stenen van de Parijse straten dwingt een meute koningsgezinden de wasvrouw hardhandig het slot van haar Marseillaise te herzien. Koppig, blootshoofds en met haar rode haar in brand, maar ook hard, vijandig, bedroefd en ineens erg oud blijft ze haar door niemand ernstig genomen steun aan haar geliefde keizer voor zich uitroepen: "[…] als een onmenselijke, dierlijke, wilde en tegelijk hemelse en machtige kreet, stortte ze zich in de donkere, dichte horde. “Leve de Keizer!” schreeuwde ze. En nog eens: “Leve de keizer!”."
Deze geschiedenis van een tweevoudige teloorgang leest opnieuw als een Roth pur sang. Alleen dient de lezer deze keer het deksel iets verder van de pot te schuiven.


De honderd dagen / J. Roth. – Amsterdam/Antwerpen : Atlas, 2011. – 238 p.

(Deze bespeking zal ook integraal verschijnen in het decembernummer van het maandelijks boekentijdschrift De Leeswolf. Met dank aan redacteur Koen Van Baelen.)

woensdag 2 november 2011

Over een onomkeerbaar vliegje dat terugkeert naar de essentie...


Het hoeven niet altijd de vetste vliegen te zijn die de doorrotte etensresten zomaar voor het bepotelen hebben. Ook kleine, fijne rosse zespotigen durven al eens alleen op een volledige overrijpe banaan te landen. Zo ook de in Duitsland geboren Nederlandse dichter Bernd G. Bevers op onderstaand wondermooi kattebelletje...


Ik was het wonderkind
maar het wonder bleef uit
en het kind verdween
in het hoofd van de man.
Daar zit het achter zijn krant
en leest zich van punt naar punt,
van dag naar dag. Verdiept
in wereldbeelden, hongertabellen,
in memoriams.