Doorgaan naar hoofdcontent

Hans Erich Nossack, oorlogsgetuigenis van duizelingwekkende hoogte...


"Ik liep wankelend langs de oever van de geschonden wereld heen en weer en mijn hele lichaam kreunde: o god, o god, zo hard, dat Misi het ondanks het geweld van de ondergang kon horen en me uit de kelder iets toeriep. Ik ging even naar haar toe en zei: het is niet meer uit te houden. We leunden tegen elkaar aan, voorzichtig en bang om onze machteloosheid duidelijker te laten blijken. Als twee paarden, die in hetzelfde tuig lopen en het ene vlijt zijn kop tegen de nek van het andere, maar dan schudden ze alle twee met zichtbare wrevel die kortstondige innigheid van zich af. Ik liep weer naar buiten en liet Misi alleen."

Het is woensdag 21 juli 1943. In de korte kroniek 'De ondergang' van de Noord-Duitser Hans Erich Nossack vertrekken een nietsvermoedende ik-figuur en liefje Misi vroeg in de ochtend naar hun bescheiden buitenverblijf nabij Horst, een plekje op de hei bij het dorpje Maschen, ongeveer vijftien kilometer bezuiden de havenstad Hamburg. Drie dagen later stellen Britse en Amerikaanse luchtmachtpiloten de militaire term 'hamburgisering' gelijk aan een tiendaags bommentapijt waarbij nadien van een belangrijke stad voor de vijand nauwelijks nog iets rest. Er vallen in die zenuwachtige, altijd verlichte zomerdagen van 1943 in totaal zo'n vijftigduizend doden, soms waren er nachten met op duizelingwekkende hoogte het geronk van wel achttienhonderd vliegtuigen. Hoofdpersoon en geliefde Misi zitten als ratten in hun zomerverblijfval, met aan de niet zo verre einder de totale vernietiging van hun favoriete grootstad en binnenshuis zelfs geen troost meer in een airken van Bach omdat het de bewoners naakt en hulpeloos aan een overgeleverde macht achterlaat. 
Alleen al de andere kant van ons huidig politiek vensterraam maakt een herlezing van Nossacks 'De Ondergang' uit 1962, dat ik dankzij Jeroen Kuypers weer vanonder dat stof heb gehaald, des te indrukwekkender. Een beetje Nederlandstalige uitgever gebruikt de vertaalrechten van dit aangrijpende ooggetuigenverslag van een stad onder vuur als wikkel rond een nagelnieuwe hertaling. Naar 't schijnt was zelfs stadsgenoot Arno Schmidt, toch uit een gans andere broek geschud, stikjaloers op deze overrompelende Stunde Null van collega Hans Erich. Gerenommeerde blurbtekstschrijvers in overvloed dus. Over dat charmante, naar binnen gekeerde Noord-Duitse schrijft deze Nossack ergens: "Bij ons mag je gerust verdrietig zijn als een vriend van je doodgaat. Ze zullen heus niet aan je mannelijkheid gaan twijfelen. In plaats van te treuren schrijf je ook wel eens een boek. Dat noemen ze dan literatuur." 
Hoorde ik ondertussen daar die Laaglandse persen al? Komaan, drukkers, duwen!


De ondergang / Hans Erich Nossack (auteur), H. Mulder (vertaler). - Amsterdam : De Bezige Bij, 1968. - 173 p.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Djoos Utendoale tient le fou avec moi: verzen geschreven in de taal van de volksmens aan weerskanten van de 'schreve'.

Utendoale, uit de vallei of het dal van de West-Vlaamse bergen. Djoos, van Joris. Afkomstig van Westouter: pater Joris Declercq. Troubadours en kleinkunstenaars uit de regio zoals Antoon vander Plaetse, Gerard Vermeersch en Willem Vermandere namen Declercqs verzen in hun repertorium op. Van Boeschepe tot Cassel en van Ieper tot Ekelsbeke, de ganse Westhoek ging aan Utendoales rijmsels kapot. Vlinders zijn er hellekapellen, butterschitters of flikflodders. Averullen, mulders en roenkers worden in gangbaar Nederlands meikevers. Voetelingen, sokken. Nuus, wij. Hadden pendelaars geen files onderweg dan was het volop vroeger thuus komm'n of dan-ze peisden. De poëzie van Djoos Utendoale is geschreven in een bijzonder zingend taaltje: het Westhoeks. Over de invloed van dialecten moeten we, althans pater Joris Declercq, niet al te neerbuigend doen: "En moest Luther de bijbel in het Nederduits vertaald hebben en niet in het Hochdeutsch, de taal van zijn geboortestreek, dan sprak de he...

Simons' toonaangevende boekgeschiedenis dertig jaar na dato grondig herzien en sterk uitgebreid...

In 1984 kwam Ludo Simons , emeritus hoogleraar boek- en bibliotheekwetenschap en oud-bibliothecaris van verschillende Vlaamse culturele instellingen, voor de dag met het eerste deel van zijn studie Geschiedenis van de uitgeverij in Vlaanderen . Terwijl boekwetenschapper Simons in dit overzicht uitsluitend aandacht had voor het Vlaamse uitgeefvak in de negentiende eeuw, completeerde hij zijn omvangrijke eenmansstudie in 1987 met een tweede volume dat zich volledig toespitste op de twintigste eeuw. Vreemd genoeg was er tot dan toe in Vlaanderen op dit terrein nauwelijks enige voorstudie gedaan. Simons' titanenarbeid werd onverwijld verheven tot standaardwerk en achteraf terecht bekroond met velerlei prijzen. Op vraag van uitgeverij Lannoo is er nu deze grondig herziene en sterk uitgebreide versie van dit alom bejubelde naslagwerk dat in historische analyse en gedetailleerde volledigheid veruit onevenaarbaar is. Deze keer schenkt Simons extra aandacht aan de ontwikkeling van de boe...

"De hele Nederlandse literatuur is vergeven van deze verderfelijke mentaliteit. Jan Terlouw die Griet Op de Beeck tijdens een etentje schalks op schoot trekt. Griet die aan het kirren slaat."

De Nederlandse schrijver en politicus Jan Terlouw is overleden. Terlouw dus, tevens de halve, lezende jeugd van de meeste van mijn FB-vrienden, als ik hier zo rond me kijk. Jammer, want nu kan ik eens niet 'meedelen'. Van Jan Terlouw zelf heb ik nooit een letter gelezen, en dat wil ik het liefst houden zo. Alles de schuld van dat 'Horrortheater' van criticus, vertaler en schrijver Arie Storm , een landgenoot van eerdergenoemde, de overleden Terlouw.  "Ik dacht eraan hoe vervelend ik mannen als Jan Terlouw, Adriaan van Dis en uitgever Joost Nijsen vond. En nog steeds vind, moet ik zeggen. Dat heb ik aan mijn jeugd te danken: ik kan niet tegen achterbaks gedrag. Authenticiteit wordt op prijs gesteld. Genoemde 'heren' zijn drie mannen die het enorm achter hun ellebogen hebben. Ze zeggen dit, maar ze doen dat. En iedereen trapt erin.(...) De hele Nederlandse literatuur is vergeven van deze verderfelijke mentaliteit. Jan Terlouw die Griet Op de Beeck tijdens ee...